De
Verliefde Wolk 1994 |
![]() |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De Verliefde Wolk Voor kinderen en hun familie vanaf 10 jaar Bewerking: Philip
Demeester
Midden in de woestijn schept de derwisj een nieuwe wereld. Daarin leven Seyfi, die zowat alles bezit, en Aïché, een jong meisje dat gelukkig is in haar tuintje, met haar bloemen, de duif en de haas. Seyfi wil echter àlles bezitten, ook het tuintje, en is daartoe tot alles bereid... Maar de derwisj schept ook een wolk. De wolk wordt verliefd op Aïché en zal alles doen om haar te beschermen en het tuintje te redden... Voor iedereen die in sprookjes durft geloven, die droomt van liefde
en een paradijs, de volwassene dus in het kind, en het kind in de volwassene...
Kinderen worden steeds vaker en op steeds jongere leeftijd geconfronteerd
met hopeloze situaties van apocalyptische gruwel en lijden. Situaties waar
wij volwassenen geen raad mee weten, waarbij we ongewild maar noodgedwongen
zwijgen, d.w.z. wegkijken. Situaties en reacties die lijken te suggereren dat
enkel nog de wet van de jungle geldt: wie het hardst slaat krijgt gelijk.
We grijpen terug naar de essentie van het sprookje: Maar het verhaal wordt verteld door een oriëntaalse danseres, zodat het
nooit stilstaat, niet letterlijk en ook niet figuurlijk. Het verhaal wordt
gedanst, en de dans wordt verhaal, want voor wie nog weet te spelen (d.w.z.
te leven) kan er geen verschil zijn tussen woord en daad. De tekst die hier weergegeven wordt is deze zoals hij door ons gespeeld werd: het is een hertaling naar het nederlands, en een herschepping naar het toneel toe. Andere 'vertalingen' zijn weliswaar denkbaar en/of verdedigbaar, maar weerspiegelen niet de poëzie die typerend was voor onze voorstelling. De Verliefde Wolk De derwisj ging zitten aan de voet van de cypres, haalde uit zijn gordel een fluit en begon te spelen. Uit de gaatjes van de fluit stegen bomen op. Alsof ze in de fluit zaten en verschenen naarmate de derwisj blies. Bergen stegen op, en rivieren, en wegen. En de bomen, de bergen, de rivieren en de wegen kwamen neer aan de andere kant van de wereld, midden in een woestijn. De bergen en de bomen richtten zich op, de rivieren begonnen te stromen en de wegen strekten zich uit. Men noemde dit land het Land van de Fluit. De derwisj nam adem en begon opnieuw fluit te spelen. Uit een van de gaatjes van de fluit steeg een man op met zwarte baard, arendsneus en grote uitpuilende ogen. Hij maakte één of twee bokkesprongen en kwam terecht naast de derwisj. De man heette Seyfi. Seyfi de Zwarte. Seyfi de Zwarte keek naar rechts, keek naar links, stak zijn hand in de zak van de derwisj, pikte zijn beurs en ging er van door. De derwisj nam een steen, mikte en gooide. De steen trof Seyfi de Zwarte zo hard dat hij opstuiterde als een bal en terechtkwam aan de andere kant van de wereld, op de top van een berg in het Land van de Fluit. Of liever, hij kwam terecht op het met zilver ingelegd zadel van een grijs paard op de top van de berg. Seyfi de Zwarte nestelde zich in het zadel en bekeek de omgeving. Kudden schapen daalden naar het dal. Die kudden waren van hem. Op de flank van de berg graasde een bonte mengeling paarden met wilde manen als van leeuwen. Ook die paarden waren van hem. Beneden gingen karavanen op weg, kamelen beladen met kruiden, koffie, zijde en ivoor. Die karavanen waren van hem. Zover de blik reikte, strekten zich velden uit met tarwe, rogge en katoen. En die velden waren van hem. Kortom, Seyfi de Zwarte was de rijkste man van het Land van de Fluit. Op zijn grijs paard, helemaal op de top van de berg, keek Seyfi de Zwarte om zich heen. Zijn uitpuilende ogen schitterden van hebzucht. Zijn baard met zwarte haren en borstelig als kreupelhout trilde ervan. Maar laten we Seyfi de Zwarte waar hij is en keren we terug naar de derwisj, aan de voet van de cypres. Uit een van de gaatjes van de fluit, waarop de derwisj nog altijd speelde, steeg een jong meisje op. Delicaat streek ze neer naast de derwisj. Het was het mooiste meisje van de wereld. Haar gouden haren vielen tot op haar hielen. Haar gezicht was mooi als de groeiende maan. De zwarte wimpers van haar blauwgroene ogen waren lang en helemaal gekruld. Het jonge meisje was nauwelijks vijftien. En ze heette Aïché... Aïché zoende de hand van de derwisj, en ging eerbiedig voor
hem staan. Hij streelde de schouder van Aïché. En Aïché steeg op in de lucht, zacht wiegend als een veer. Ze vloog ver weg en streek neer op de tak van een appelboom die in bloei stond, aan de andere kant van de wereld, in het land van de fluit. Waren de bloesems het mooist, of was het Aïché? Als je het mij vraagt, dan was de jonge Aïché nog mooier dan de bloesems van de appelboom. Ze keek rond, dóór de bloesems van de appelboom. De appelboom stond in een tuin. En deze tuin was van de jonge Aïché. De rozen stonden er in bloei, roze, rode, gele, witte; pomponrozen en stokrozen. Er bloeiden tulpen in alle vormen, en een overdaad aan anjers. Aïché daalde af van de tak van de appelboom, nam een gieter
en begon de bloemen te begieten. Een haag omheinde de tuin. In volle galop
kwam Seyfi de Zwarte er aan, stopte voor het portaal, schreeuwde over de
haag: Seyfi de Zwarte kon zijn zin niet afmaken. Zijn paard was beginnen hinniken en met de poten slaan. Seyfi de Zwarte donderde op de grond. Wat was er gebeurd? Terwijl Seyfi de Zwarte, geplant op zijn paard aan de andere kant van de haag, tegen de jonge Aïché schreeuwde, beet een haas in één van de poten van het paard. De haas beet tot het paard zo hard begon te hinniken en te stampen van de pijn, dat Seyfi de Zwarte op de grond plofte. En er gebeurde nog meer. Terwijl Seyfi brullend van de pijn rondtolde in het stof, terwijl de haas verschrikt op de vlucht sloeg, vloog een witte duif op uit de tuin van Aïché. Ze ging recht boven Seyfi de Zwarte vliegen, mikte zorgvuldig en scheet hem precies tussen de ogen. Seyfi de Zwarte werd zo kwaad dat hij zijn pijn vergat en rechtsprong. Hij legde een pijl op zijn boog en mikte naar de duif. Toen Aïché dit zag slaakte ze een kreet. De duif vluchtte klapwiekend. Seyfi de Zwarte sprong op zijn paard en stortte zich in de achtervolging... Maar laten we Seyfi de Zwarte de witte duif achtervolgen en keren we terug naar de derwisj. Geleund tegen de cypres speelde de derwisj fluit. Uit een van de gaatjes van de fluit steeg een wolk op. De derwisj speelde verder en de wolk steeg hoger en hoger. Als een lam dat graast op hemelse weiden, dwaalde de wolk naar het Land van de Fluit, helemaal aan de andere kant van de wereld. Toen ze over de grens van het Land van de Fluit vloog, bemerkte zij beneden tussen het koren een haas die zijn snorharen gladstreek. Het was de haas die gebeten had in de poot van het paard van Seyfi de Zwarte. De haas keek op en zag de wolk. De manier waarop de haas zijn snorharen gladstreek beviel de wolk zo zeer dat zij in een lach schoot. De haas begreep er niets van. Het was de eerste keer dat hij een wolk zag lachen. Dat verwonderde hem zeer, maar het behaagde hem ook. Laten we kort zijn. Terwijl de haas en de wolk zo kennismaakten, had Seyfi de Zwarte zijn paard gestopt op de top van een heuvel. Hij zocht de hemel af naar de witte duif die hem tussen de wenkbrauwen had gescheten. Daar zag hij haar. Hij spande zijn boog en mikte. Precies op dat ogenblik kwam de wolk aan bij de duif. De wolk zag wat er gebeurde en fronste de wenkbrauwen. Dan liet zij zich op Seyfi vallen en omhulde hem van alle kanten. Seyfi de Zwarte wist niet meer wat doen in deze witte nevel die hem verblindde. Hij begon te niezen en te hoesten. De duif maakte zich klapwiekend uit de voeten. De wolk was gelukkig dat de duif gered was. Ze liet Seyfi de Zwarte voor wat hij was, raapte zich bijeen, steeg weer naar de hemel en vervolgde haar weg. Ze dwaalde wat naar hier, ze dwaalde wat naar daar, ze stak rivieren over, ze stak bergen over, ze passeerde pal boven de tuin van Aïché. Uitgestrekt tussen de tulpen van haar tuin keek Aïché naar de hemel. Aan haar rechterzijde zat de haas en op haar linkerschouder de witte duif, die juist ontsnapt was aan Seyfi de Zwarte. Het licht van de hemel vulde de blauwgroene ogen van Aïché. Haar gouden haren schitterden. Met één hand speelde ze met de lange oren van de haas die aan haar rechterzijde zat en met de andere streelde ze de duif. Precies op dat ogenblik verscheen de wolk boven de tuin. Een schaduw overdekte de tuin, heel kort maar, en alles werd weer licht. En dan begon de schaduw, die glijdend van links naar rechts de tuin had overdekt, van rechts naar links te glijden. De wolk had Aïché gezien en was op haar passen teruggekeerd om zich boven de tuin te installeren. Zo merkten Aiché, de haas en de duif de wolk op. De haas herkende de wolk. Ook de duif wist onmiddellijk dat het de wolk was die haar gered had, en sloeg zachtjes met de vleugels om te groeten. De wolk echter was niet in staat de haas of de duif op te merken. Want, of je nu mens bent of dier of wolk, van zodra je de jonge Aïché ziet, zie je alleen nog haar! De wolk liet een diepe zucht en zei zacht: "ach!" Van de toppen van haar vingers zond Aïché een zoen naar de wolk. Toen deze zoen haar bereikte was de wolk er compleet ondersteboven van. Dan kwam ze weer tot zichzelf en nam de vorm aan van een immense roos. Nog nooit had men in de satijnblauwe hemel een zo mooie roos zien bloeien. Terwijl Aïché vol verrukking deze witte roos bewonderde, rekte de wolk zich uit, raapte zich bijeen en nam de vorm aan van een hart, 't is te zeggen zij werd weer wolk. Laten we kort zijn. Van die dag af liet de wolk de jonge Aïché niet meer alleen. Waar de jonge Aïché was, was ook de wolk. Laten we veronderstellen dat Aïché bezig was haar tuin te wieden, met de haas en met de witte duif op haar schouder, wel dan waakte de wolk hoog in de hemel over haar. Van zodra Aïché het zweet van haar voorhoofd veegde, haastte de wolk zich om zich voor de zon te plaatsen. En de tuin was vol schaduw. Nauwelijks was Aïché uitgerust en dacht: "Het is goed uit te rusten in de schaduw, maar de bloemen hebben zon nodig..." of de wolk nam de vorm aan van een chinese parasol, zodat de hele tuin zon kreeg, behalve Aïché, die mooi in de schaduw bleef. Op een nacht zat de jonge Aïché voor haar huisje aan de rand
van het vijvertje in haar tuin. Op haar schouder dommelde de duif en de
haas sliep op haar knieën. In de hemel stonden sterren en de sikkelvormige
maan, en in een hoek: de wolk. Aïché bewonderde hun weerschijn
in het water van de vijver. De vijver was als een spiegel. Maar in deze
spiegel hadden de sterren en de maan hun glans verloren. Aïché richtte
de ogen naar de hemel. En ook daarboven schitterden de sterren en de maan
nauwelijks. "Wat is er gebeurd? Waarom fonkelen ze niet?" vroeg
Aïché zich af. Zoals altijd raadde de wolk de gedachten van
Aïché. Meteen riep ze uit haar hoekje aan de hemel: Slaap, schoonheid, slaap, Terwijl de wolk dit slaapliedje zong voor het raam van Aïché,
drong Seyfi de Zwarte de tuin binnen op de toppen van zijn tenen. Hij had
een immens mes in de hand. Hij keek naar rechts, hij keek naar links -
mensen die iets slechts willen doen, kijken altijd zo, naar rechts, naar
links. Dan sneed hij de bloemen af. Elke tulp, elke roos, elke anjer liet
een diepe zucht toen ze op de grond viel. Maar omdat de bloemen bloemen
waren, was hun zucht zo licht dat niemand hen hoorde, behalve de andere
bloemen. Ondertussen was Aïché diep ingeslapen op de tonen van het slaapliedje dat de wolk voor haar zong. De wolk nam terug de vorm aan van een wolk en steeg weer naar de hemel. Ze wilde een blik werpen op de omgeving om daarna de wacht te betrekken op de drempel van het huis. Ze keek voor zich, ze keek achter zich, ze keek naar rechts, ze keek naar links: bergen en rotsen, wolven en vogels, alles was in diepe slaap. De wolk was ook moe, maar ze sperde de ogen open en wierp een laatste blik op de tuin. Toen zag ze Seyfi de Zwarte de bloemen afsnijden. Het bloed steeg haar naar het hoofd. "Gemene vent" riep ze. Ze nam direct de vorm aan van een hand, greep de maansikkel - ik zei reeds dat de maan precies de vorm van een sikkel had - stortte zich naar beneden en stak de punt van de maan-sikkel in de billen van Seyfi! Seyfi de Zwarte was totaal verbijsterd. Je zou het ook geweest zijn! Hij draaide zich om en wou zich met z'n mes verdedigen tegen de hand van de wolk en de sikkel van de maan. Maar zodra hij de sikkel raakte, viel het mes aan gruizelementen alsof het van glas was! De wolk liet de maansikkel los en vloog naar de hemel. De maansikkel vocht verder tegen Seyfi. De wolk trok de sterren van de hemel en liet ze regenen op de schedel van Seyfi de Zwarte. Wie had stand kunnen houden tegen zulke aanvallen - de sterren van boven en de sikkel van onderen? Seyfi maakte zich uit de voeten, als een hond met een pan aan de staart. De volgende morgen, toen Aïché haar tuin omspitte, stuitte
ze op de distel: Terwijl de slang voortkroop in het stof, verliep de tijd, kwam de avond,
viel de nacht. Seyfi de Zwarte, gezeten op zijn paard, vatte post voor
de poort van het tuintje. Met luidde stem wendde hij zich tot Aïché: Laten we Aiché de wolk liefkozen, en keren we terug naar Seyfi
de Zwarte. Op de andere oever van de rivier richtte de distel zich op voor
Seyfi:. Seyfi de Zwarte nam de distel op zijn paard en leidde het daar waar de distel hem zei. Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken rivieren over, ze staken bergen over, ze staken vlaktes over. De distel liet Seyfi een zak kopen en een kruik. Hij plaatste de kruik rechts van het zadel, de zak links. Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken opnieuw rivieren over en bergen en vlaktes, bossen en struiken. Door zo te stappen zonder een ogenblik rust, werd het paard mager als een draad in een naald. Op de vijftiende dag kwamen ze op een heide die zich uitstrekte tot aan de horizon. Op de dertigste dag omringden rotsen hen van alle kanten. De hitte was hels. De aarde barstte open. Nergens was er een schijn van schaduw te vinden. Op de vijfendertigste nacht restte er geen spoor meer van rotsen, zelfs niet van aarde. De woestijn strekte zich uit van oost naar west. Het paard raakte nauwelijks vooruit... Op de veertigste dag zei de distel: Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken rivieren
over, ze staken bergen over, ze staken vlaktes over. Plots begon de wind
zo hevig te blazen dat het onmogelijk was een stap vooruit te komen. Bomen
doken op, hun wortels drongen door tot in de zevende diepte van de aarde,
hun kruinen reikten tot in de zevende hemel. En hun kruinen en takken en
bladeren bogen zich ruisend tot op de aarde om zich dan weer op te richten. Laten we Seyfi de Zwarte zijn weg vervolgen met de wind in de rug, en
keren we terug aan de zijde van Aïché. Allen sliepen een diepe
slaap: Aïché in haar bed, de duif aan haar hoofdeinde, de haas
aan haar voeten en de wolk buiten voor het raam. Laten we kort zijn: de ochtend brak aan. Aïché in haar bed, de duif aan haar hoofdeinde, de haas aan haar voeten, de wolk onder het raam, allen ontwaakten ze door een hartverscheurend gekreun. Ze liepen naar de tuin. En wat zagen ze? De rozen, de anjers en de bomen werden geel, hun bladeren verschrompelden alsof ze in brand stonden en het water uit de vijver verdampte alsof er een gat was in de bodem. En allen jammerden en huilden met één stem: "Red ons Aïché, we verbleken, we worden geel, we verdrogen, we sterven, help ons Aïché!" Aïché wist niet waar te beginnen. Ze rende van een roos met
een verwelkte kraag naar een stervende tulp en van een stervende tulp naar
een half verdroogde anjer. Hoog op zijn paard aan de andere kant van de
haag grinnikte Seyfi de Zwarte van plezier en krabde met zijn zwarte nagels
in zijn borstelige baard. Laten we even de wolk en Aïché en Seyfi de Zwarte, en kijken
we waar de duif gebleven is. De duif achtervolgde de zotte wind, die zich
schaamde voor haar nederlaag. De duif haalde de wind in op de top van een
berg. Laten we Seyfi de Zwarte in de afgrond rollen en keren we terug naar de
tuin van Aïché. Alle bloemen schitterden, alle bomen stonden
weer in bloei. Aïché vertoefde aan de rand van de vijver, de
duif op haar linkerschouder, de haas aan haar voeten. De lucht was blauw,
stralend van de zon. Iedereen was gelukkig, behalve Aïché. Kortom, de wolk verscheen weer aan de blauwe hemel. Ze werd groter en groter. Ze keek naar Aïché, ze keek naar de tuin, ze werd een mond. Een reusachtige mond die glimlachte. Zo kwam alles weer goed in het Land van de Fluit. De moedige mensen vonden het geluk, en de slechte werden verdreven. En het sprookje dat de fluit van de derwisj vertelde, nam een einde. De derwisj ging weg, de fluit in zijn gordel. De derwisj ging zitten aan de voet van de cypres, haalde uit zijn gordel een fluit en begon te spelen. Uit de gaatjes van de fluit stegen bomen op. Alsof ze in de fluit zaten en verschenen naarmate de derwisj blies. Bergen stegen op, en rivieren, en wegen. En de bomen, de bergen, de rivieren en de wegen kwamen neer aan de andere kant van de wereld, midden in een woestijn. De bergen en de bomen richtten zich op, de rivieren begonnen te stromen en de wegen strekten zich uit. Men noemde dit land het Land van de Fluit. De derwisj nam adem en begon opnieuw fluit te spelen. Uit een van de gaatjes van de fluit steeg een man op met zwarte baard, arendsneus en grote uitpuilende ogen. Hij maakte één of twee bokkesprongen en kwam terecht naast de derwisj. De man heette Seyfi. Seyfi de Zwarte. Seyfi de Zwarte keek naar rechts, keek naar links, stak zijn hand in de zak van de derwisj, pikte zijn beurs en ging er van door. De derwisj nam een steen, mikte en gooide. De steen trof Seyfi de Zwarte zo hard dat hij opstuiterde als een bal en terechtkwam aan de andere kant van de wereld, op de top van een berg in het Land van de Fluit. Of liever, hij kwam terecht op het met zilver ingelegd zadel van een grijs paard op de top van de berg. Seyfi de Zwarte nestelde zich in het zadel en bekeek de omgeving. Kudden schapen daalden naar het dal. Die kudden waren van hem. Op de flank van de berg graasde een bonte mengeling paarden met wilde manen als van leeuwen. Ook die paarden waren van hem. Beneden gingen karavanen op weg, kamelen beladen met kruiden, koffie, zijde en ivoor. Die karavanen waren van hem. Zover de blik reikte, strekten zich velden uit met tarwe, rogge en katoen. En die velden waren van hem. Kortom, Seyfi de Zwarte was de rijkste man van het Land van de Fluit. Op zijn grijs paard, helemaal op de top van de berg, keek Seyfi de Zwarte om zich heen. Zijn uitpuilende ogen schitterden van hebzucht. Zijn baard met zwarte haren en borstelig als kreupelhout trilde ervan. Maar laten we Seyfi de Zwarte waar hij is en keren we terug naar de derwisj, aan de voet van de cypres. Uit een van de gaatjes van de fluit, waarop de derwisj nog altijd speelde, steeg een jong meisje op. Delicaat streek ze neer naast de derwisj. Het was het mooiste meisje van de wereld. Haar gouden haren vielen tot op haar hielen. Haar gezicht was mooi als de groeiende maan. De zwarte wimpers van haar blauwgroene ogen waren lang en helemaal gekruld. Het jonge meisje was nauwelijks vijftien. En ze heette Aïché... Aïché zoende de hand van de derwisj, en ging eerbiedig voor
hem staan. Hij streelde de schouder van Aïché. En Aïché steeg op in de lucht, zacht wiegend als een veer. Ze vloog ver weg en streek neer op de tak van een appelboom die in bloei stond, aan de andere kant van de wereld, in het land van de fluit. Waren de bloesems het mooist, of was het Aïché? Als je het mij vraagt, dan was de jonge Aïché nog mooier dan de bloesems van de appelboom. Ze keek rond, dóór de bloesems van de appelboom. De appelboom stond in een tuin. En deze tuin was van de jonge Aïché. De rozen stonden er in bloei, roze, rode, gele, witte; pomponrozen en stokrozen. Er bloeiden tulpen in alle vormen, en een overdaad aan anjers. Aïché daalde af van de tak van de appelboom, nam een gieter
en begon de bloemen te begieten. Een haag omheinde de tuin. In volle galop
kwam Seyfi de Zwarte er aan, stopte voor het portaal, schreeuwde over de
haag: Seyfi de Zwarte kon zijn zin niet afmaken. Zijn paard was beginnen hinniken en met de poten slaan. Seyfi de Zwarte donderde op de grond. Wat was er gebeurd? Terwijl Seyfi de Zwarte, geplant op zijn paard aan de andere kant van de haag, tegen de jonge Aïché schreeuwde, beet een haas in één van de poten van het paard. De haas beet tot het paard zo hard begon te hinniken en te stampen van de pijn, dat Seyfi de Zwarte op de grond plofte. En er gebeurde nog meer. Terwijl Seyfi brullend van de pijn rondtolde in het stof, terwijl de haas verschrikt op de vlucht sloeg, vloog een witte duif op uit de tuin van Aïché. Ze ging recht boven Seyfi de Zwarte vliegen, mikte zorgvuldig en scheet hem precies tussen de ogen. Seyfi de Zwarte werd zo kwaad dat hij zijn pijn vergat en rechtsprong. Hij legde een pijl op zijn boog en mikte naar de duif. Toen Aïché dit zag slaakte ze een kreet. De duif vluchtte klapwiekend. Seyfi de Zwarte sprong op zijn paard en stortte zich in de achtervolging... Maar laten we Seyfi de Zwarte de witte duif achtervolgen en keren we terug naar de derwisj. Geleund tegen de cypres speelde de derwisj fluit. Uit een van de gaatjes van de fluit steeg een wolk op. De derwisj speelde verder en de wolk steeg hoger en hoger. Als een lam dat graast op hemelse weiden, dwaalde de wolk naar het Land van de Fluit, helemaal aan de andere kant van de wereld. Toen ze over de grens van het Land van de Fluit vloog, bemerkte zij beneden tussen het koren een haas die zijn snorharen gladstreek. Het was de haas die gebeten had in de poot van het paard van Seyfi de Zwarte. De haas keek op en zag de wolk. De manier waarop de haas zijn snorharen gladstreek beviel de wolk zo zeer dat zij in een lach schoot. De haas begreep er niets van. Het was de eerste keer dat hij een wolk zag lachen. Dat verwonderde hem zeer, maar het behaagde hem ook. Laten we kort zijn. Terwijl de haas en de wolk zo kennismaakten, had Seyfi de Zwarte zijn paard gestopt op de top van een heuvel. Hij zocht de hemel af naar de witte duif die hem tussen de wenkbrauwen had gescheten. Daar zag hij haar. Hij spande zijn boog en mikte. Precies op dat ogenblik kwam de wolk aan bij de duif. De wolk zag wat er gebeurde en fronste de wenkbrauwen. Dan liet zij zich op Seyfi vallen en omhulde hem van alle kanten. Seyfi de Zwarte wist niet meer wat doen in deze witte nevel die hem verblindde. Hij begon te niezen en te hoesten. De duif maakte zich klapwiekend uit de voeten. De wolk was gelukkig dat de duif gered was. Ze liet Seyfi de Zwarte voor wat hij was, raapte zich bijeen, steeg weer naar de hemel en vervolgde haar weg. Ze dwaalde wat naar hier, ze dwaalde wat naar daar, ze stak rivieren over, ze stak bergen over, ze passeerde pal boven de tuin van Aïché. Uitgestrekt tussen de tulpen van haar tuin keek Aïché naar de hemel. Aan haar rechterzijde zat de haas en op haar linkerschouder de witte duif, die juist ontsnapt was aan Seyfi de Zwarte. Het licht van de hemel vulde de blauwgroene ogen van Aïché. Haar gouden haren schitterden. Met één hand speelde ze met de lange oren van de haas die aan haar rechterzijde zat en met de andere streelde ze de duif. Precies op dat ogenblik verscheen de wolk boven de tuin. Een schaduw overdekte de tuin, heel kort maar, en alles werd weer licht. En dan begon de schaduw, die glijdend van links naar rechts de tuin had overdekt, van rechts naar links te glijden. De wolk had Aïché gezien en was op haar passen teruggekeerd om zich boven de tuin te installeren. Zo merkten Aiché, de haas en de duif de wolk op. De haas herkende de wolk. Ook de duif wist onmiddellijk dat het de wolk was die haar gered had, en sloeg zachtjes met de vleugels om te groeten. De wolk echter was niet in staat de haas of de duif op te merken. Want, of je nu mens bent of dier of wolk, van zodra je de jonge Aïché ziet, zie je alleen nog haar! De wolk liet een diepe zucht en zei zacht: "ach!" Van de toppen van haar vingers zond Aïché een zoen naar de wolk. Toen deze zoen haar bereikte was de wolk er compleet ondersteboven van. Dan kwam ze weer tot zichzelf en nam de vorm aan van een immense roos. Nog nooit had men in de satijnblauwe hemel een zo mooie roos zien bloeien. Terwijl Aïché vol verrukking deze witte roos bewonderde, rekte de wolk zich uit, raapte zich bijeen en nam de vorm aan van een hart, 't is te zeggen zij werd weer wolk. Laten we kort zijn. Van die dag af liet de wolk de jonge Aïché niet meer alleen. Waar de jonge Aïché was, was ook de wolk. Laten we veronderstellen dat Aïché bezig was haar tuin te wieden, met de haas en met de witte duif op haar schouder, wel dan waakte de wolk hoog in de hemel over haar. Van zodra Aïché het zweet van haar voorhoofd veegde, haastte de wolk zich om zich voor de zon te plaatsen. En de tuin was vol schaduw. Nauwelijks was Aïché uitgerust en dacht: "Het is goed uit te rusten in de schaduw, maar de bloemen hebben zon nodig..." of de wolk nam de vorm aan van een chinese parasol, zodat de hele tuin zon kreeg, behalve Aïché, die mooi in de schaduw bleef. Op een nacht zat de jonge Aïché voor haar huisje aan de rand
van het vijvertje in haar tuin. Op haar schouder dommelde de duif en de
haas sliep op haar knieën. In de hemel stonden sterren en de sikkelvormige
maan, en in een hoek: de wolk. Aïché bewonderde hun weerschijn
in het water van de vijver. De vijver was als een spiegel. Maar in deze
spiegel hadden de sterren en de maan hun glans verloren. Aïché richtte
de ogen naar de hemel. En ook daarboven schitterden de sterren en de maan
nauwelijks. "Wat is er gebeurd? Waarom fonkelen ze niet?" vroeg
Aïché zich af. Zoals altijd raadde de wolk de gedachten van
Aïché. Meteen riep ze uit haar hoekje aan de hemel: Slaap, schoonheid, slaap, Terwijl de wolk dit slaapliedje zong voor het raam van Aïché,
drong Seyfi de Zwarte de tuin binnen op de toppen van zijn tenen. Hij had
een immens mes in de hand. Hij keek naar rechts, hij keek naar links -
mensen die iets slechts willen doen, kijken altijd zo, naar rechts, naar
links. Dan sneed hij de bloemen af. Elke tulp, elke roos, elke anjer liet
een diepe zucht toen ze op de grond viel. Maar omdat de bloemen bloemen
waren, was hun zucht zo licht dat niemand hen hoorde, behalve de andere
bloemen. Ondertussen was Aïché diep ingeslapen op de tonen van het slaapliedje dat de wolk voor haar zong. De wolk nam terug de vorm aan van een wolk en steeg weer naar de hemel. Ze wilde een blik werpen op de omgeving om daarna de wacht te betrekken op de drempel van het huis. Ze keek voor zich, ze keek achter zich, ze keek naar rechts, ze keek naar links: bergen en rotsen, wolven en vogels, alles was in diepe slaap. De wolk was ook moe, maar ze sperde de ogen open en wierp een laatste blik op de tuin. Toen zag ze Seyfi de Zwarte de bloemen afsnijden. Het bloed steeg haar naar het hoofd. "Gemene vent" riep ze. Ze nam direct de vorm aan van een hand, greep de maansikkel - ik zei reeds dat de maan precies de vorm van een sikkel had - stortte zich naar beneden en stak de punt van de maan-sikkel in de billen van Seyfi! Seyfi de Zwarte was totaal verbijsterd. Je zou het ook geweest zijn! Hij draaide zich om en wou zich met z'n mes verdedigen tegen de hand van de wolk en de sikkel van de maan. Maar zodra hij de sikkel raakte, viel het mes aan gruizelementen alsof het van glas was! De wolk liet de maansikkel los en vloog naar de hemel. De maansikkel vocht verder tegen Seyfi. De wolk trok de sterren van de hemel en liet ze regenen op de schedel van Seyfi de Zwarte. Wie had stand kunnen houden tegen zulke aanvallen - de sterren van boven en de sikkel van onderen? Seyfi maakte zich uit de voeten, als een hond met een pan aan de staart. De volgende morgen, toen Aïché haar tuin omspitte, stuitte
ze op de distel: Terwijl de slang voortkroop in het stof, verliep de tijd, kwam de avond,
viel de nacht. Seyfi de Zwarte, gezeten op zijn paard, vatte post voor
de poort van het tuintje. Met luidde stem wendde hij zich tot Aïché: Laten we Aiché de wolk liefkozen, en keren we terug naar Seyfi
de Zwarte. Op de andere oever van de rivier richtte de distel zich op voor
Seyfi:. Seyfi de Zwarte nam de distel op zijn paard en leidde het daar waar de distel hem zei. Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken rivieren over, ze staken bergen over, ze staken vlaktes over. De distel liet Seyfi een zak kopen en een kruik. Hij plaatste de kruik rechts van het zadel, de zak links. Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken opnieuw rivieren over en bergen en vlaktes, bossen en struiken. Door zo te stappen zonder een ogenblik rust, werd het paard mager als een draad in een naald. Op de vijftiende dag kwamen ze op een heide die zich uitstrekte tot aan de horizon. Op de dertigste dag omringden rotsen hen van alle kanten. De hitte was hels. De aarde barstte open. Nergens was er een schijn van schaduw te vinden. Op de vijfendertigste nacht restte er geen spoor meer van rotsen, zelfs niet van aarde. De woestijn strekte zich uit van oost naar west. Het paard raakte nauwelijks vooruit... Op de veertigste dag zei de distel: Ze kwamen snel vooruit, ze kwamen wat minder snel vooruit, ze staken rivieren
over, ze staken bergen over, ze staken vlaktes over. Plots begon de wind
zo hevig te blazen dat het onmogelijk was een stap vooruit te komen. Bomen
doken op, hun wortels drongen door tot in de zevende diepte van de aarde,
hun kruinen reikten tot in de zevende hemel. En hun kruinen en takken en
bladeren bogen zich ruisend tot op de aarde om zich dan weer op te richten. Laten we Seyfi de Zwarte zijn weg vervolgen met de wind in de rug, en
keren we terug aan de zijde van Aïché. Allen sliepen een diepe
slaap: Aïché in haar bed, de duif aan haar hoofdeinde, de haas
aan haar voeten en de wolk buiten voor het raam. Laten we kort zijn: de ochtend brak aan. Aïché in haar bed, de duif aan haar hoofdeinde, de haas aan haar voeten, de wolk onder het raam, allen ontwaakten ze door een hartverscheurend gekreun. Ze liepen naar de tuin. En wat zagen ze? De rozen, de anjers en de bomen werden geel, hun bladeren verschrompelden alsof ze in brand stonden en het water uit de vijver verdampte alsof er een gat was in de bodem. En allen jammerden en huilden met één stem: "Red ons Aïché, we verbleken, we worden geel, we verdrogen, we sterven, help ons Aïché!" Aïché wist niet waar te beginnen. Ze rende van een roos met
een verwelkte kraag naar een stervende tulp en van een stervende tulp naar
een half verdroogde anjer. Hoog op zijn paard aan de andere kant van de
haag grinnikte Seyfi de Zwarte van plezier en krabde met zijn zwarte nagels
in zijn borstelige baard. Laten we even de wolk en Aïché en Seyfi de Zwarte, en kijken
we waar de duif gebleven is. De duif achtervolgde de zotte wind, die zich
schaamde voor haar nederlaag. De duif haalde de wind in op de top van een
berg. Laten we Seyfi de Zwarte in de afgrond rollen en keren we terug naar de
tuin van Aïché. Alle bloemen schitterden, alle bomen stonden
weer in bloei. Aïché vertoefde aan de rand van de vijver, de
duif op haar linkerschouder, de haas aan haar voeten. De lucht was blauw,
stralend van de zon. Iedereen was gelukkig, behalve Aïché. Kortom, de wolk verscheen weer aan de blauwe hemel. Ze werd groter en groter. Ze keek naar Aïché, ze keek naar de tuin, ze werd een mond. Een reusachtige mond die glimlachte. Zo kwam alles weer goed in het Land van de Fluit. De moedige mensen vonden het geluk, en de slechte werden verdreven. En het sprookje dat de fluit van de derwisj vertelde, nam een einde. De derwisj ging weg, de fluit in zijn gordel. Nâzim Hikmet |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
the art
of involvement / de kunst van het engagement |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
home | ©2006 Philip Demeester & Amana Dance Theatre
|
![]() |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||